“The greatest road race on earth” (Stirling Moss) 90 Jaar Mille Miglia

Eén van de meest beroemde en beruchte autoraces aller tijden was de Mille Miglia die 24 keer werd gehouden in de periode tussen 1927 en 1957. “Een heel leven gecondenseerd in 12 uur,” zo noemt de journalist en historicus Jacques Ickx (vader van Jacky Ickx) de wegrace die van Brescia naar Rome en weer terug liep. Tegenwoordig is de Mille Miglia één van de belangrijkste oldtimerevenementen ter wereld en al net zo’n kleurrijk spektakel als in de klassieke periode.

“Brescia heeft al eeuwen een liefdesrelatie met ijzer en staal, en we maken hier al jaren dingen uit ijzer en staal voor oorlog en vrede. De auto is ook gemaakt van ijzer en staal. Wij sportmensen hebben in deze periode ook veel gesproken over wegen, want zonder een weg wordt een auto een nutteloos apparaat, of in ieder geval onproductief, schadelijk en gevaarlijk. Maar vooral ‘traag’ en dat laatste is waar we ons als sportmensen, en dan vooral onze kring met Maggi en Marziotti, nog het meeste aan ergerden.” Uit deze opmerking van Giovanni Canestrini, een autosportjournalist van de Gazzetta dello Sport, valt al voor een belangrijk deel te lezen wat een groepje jonge autosportliefhebbers ertoe bewoog, om een lange-afstandsrace op openbare wegen, met de start en finish in Brescia, te organiseren. 

‘Onze kring’: dat waren Aymo Maggi en Franco Mazzotti, die op het idee kwamen om in en rond hun geboortestad Brescia iets te doen voor de autosport; Renzo Castagneto, de secretaris van de Regio Automobil Club d'Italia in Brescia, en Giovanni Canestrini.  Ze besloten om een race van ongeveer 1.600 km (1.000 Romeinse mijl) te organiseren door Italië.  Duizend mijlen, in één loodzware etappe over lange rechte stukken langs de Tyrreense zee om vervolgens via slingerende bergweggetjes over de Appenijnen, van Bologna naar Florence naar Rome na de Raticosa en Futa passen te hebben bedwongen en Poggibonse, Siena en Viterbo te hebben aangedaan en vanuit de Italiaanse hoofdstad langs de Adriatische kust langs een al even bochtige route door Umbrië en Marche (De Marken) via Bologna, waar de route als in een acht zichzelf kruist, Padova, Treviso en Verona weer terug naar het uitgangspunt van de race. Een zware kluif, maar ook een uitstekende proeftuin voor mens en machine om te bewijzen dat ‘je op de wegen van ons land kan reizen met hoge gemiddelde snelheden met een zekere mate van veiligheid en regelmaat, maar dat we sneller en veiliger hadden kunnen reizen als de ontwikkeling van het wegennetwerk gelijke tred had gehouden met die van de nieuwe transportmiddelen.” De organisatie van de Mille Miglia ging er vanuit dat het door een wegrace te organiseren, de noodzaak van een beter wegennet in Italië duidelijk zou maken. Het was dan ook niet helemáál toevallig dat in 1924 de eerste Autostrada tussen Milaan en Lakes was geopend. 

Eerste winst voor de thuisploeg
Vanaf het begin was het de initiatiefnemers duidelijk dat een pure snelheidsrace de enige acceptabele vorm voor het evenement zou zijn; er waren al lange-afstandswedstrijden als de Giro d’Italia en de Alpine Cup die als regelmatigheidsproef werden verreden, maar die werden als te lang en ingewikkeld terzijde gelegd. De eerste editie van de Mille Miglia vond plaats op 26 maart 1927 en van de 101 inschrijvingen kwamen 77 wagens aan de start die werden ingedeeld in verschillende klassen op basis van cilinderinhoud. OM, een automerk dat zijn thuisbasis had in Brescia, had drie fabrieksauto’s ingeschreven die vergezeld gingen van vier auto’s die door privécoureurs werden ingezet. Lancia kwam met een armada van tien fabrieks- en privé-Lambda’s en Alfa Romeo zou eigenlijk zijn nieuwe 6C 1500 hebben meegenomen, maar koos vanwege aanloopproblemen met dat model eieren voor zijn geld en verscheen aan de start met drie fabrieksauto’s van het ‘oude’ type RL SS.  
Om de route te bewegwijzeren had Castagneto de rode pijl met witte letters bedacht die tot op heden het handelsmerk van de Mille Miglia zou blijven. De drie eerste plaatsen gingen uiteindelijk naar het ‘home team’: de winnende OM 665 Sport van Ferdinando Minola en Guiseppe Morandi voltooide de rit in ruim 21 uur. De kleine 5 CV Peugeots die in de klasse tot 750 cc startten en allemaal finishten, deden er bijna twaalf uur langer over. Alfa Romeo werd met een zevende plaats als hoogste klassering ruimschoots verslagen door de drie OM’s, twee Lancia’s en een Isotta-Fraschini, maar zou de wedstrijd vanaf het volgende jaar gedurende vrijwel de gehele vooroorlogse periode domineren. 

Il Duce beveelt reprise
Toen onze vier musketiers het plan hadden opgevat voor de Mille Miglia – of zoals hij officieel heette: Coppa della 1000 Miglia – waren ze er van uitgegaan dat het bij een éénmalig evenement zou blijven. En dat bleef in eerste instantie zo na het succesvolle verloop ervan. De motoren van de gefinishte auto’s waren echter nog niet koud of dictator Benito Mussolini stelde doodleuk dat de Mille Miglia volgend jaar weer moest plaatsvinden. Maar dan wel vroeger of later in het jaar, om niet samen te vallen met de jaarlijkse viering van de Fascistische partij… Ook de winnaar van de eerste Mille, OM, promootte de overwinning als een belangrijke triomf in een ‘internationale’ marathonwedstrijd. Toen de organisatie de tweede race voorbereidde, kreeg het alle medewerking van de relevante overheden die er onder andere voor zorgden dat het parkoers bewaakt werd en de openbare orde gehandhaafd zonder dat de deelnemers een strobreed in de weg zou worden gelegd. 
Net als bij de oorspronkelijke wedstrijd bestond het deelnemersveld voor deze tweede editie van de Mille Miglia voornamelijk uit auto’s van Italiaanse makelij, maar naast de Peugeots, Amilcars en Salmsons in de ‘kleinere’ klassen waren er ditmaal ook vier Chryslers, een La Salle en vijf Bugatti’s, waarvan drie van het fabrieksteam. De piepjonge Mille Miglia had zich duidelijk gevestigd onder de ‘klassieke’ race-evenementen.

Alfa Romeo won de tweede race met Guiseppe Campari en bijrijder Giulio Ramponi, en dit merk zou met uitzondering van 1931 alle vooroorlogse edities op zijn naam schrijven. In dat jaar was het Rudolf Caracciola die de race op zijn naam schreef met een Mercedes-Benz SSKL vóór een veld vol Alfa’s en een enkele OM op de derde plaats. In 1937 stelde de organisatie een nieuwe klasse in voor Italiaanse productietoerwagens, hetgeen de basis vormde voor een enorme toename van het aantal deelnemers in de jaren die volgden en zeker in de naoorlogse periode. Van de 123 starters in dat jaar kwamen er 87 uit in deze ‘Turismo Nazionale’ categorie, veel ervan met een Fiat 500 (Topolino) of een auto die daarop was gebaseerd. In 1938 werd het voortbestaan van de Mille Miglia voor het eerst serieus in de waagschaal gesteld door een ernstig ongeval in het centrum van Bologna. Een Lancia Aprilia raakte in een slip bij het kruisen van tramrails, ontwortelde een boom en kwam in het publiek terecht, waarbij tien toeschouwers waaronder zeven kinderen omkwamen en nog eens 23 gewond raakten. Het duurde niet lang voor er een communiqué verscheen waarin de onmiddellijke schorsing van de wedstrijd werd aangekondigd en een algeheel verbod op wegwedstrijden. In 1939 was er daarom geen race, maar in 1940, toen de Tweede Wereldoorlog al in volle gang was, werd de wedstrijd weer verreden, maar nu onder de naam ‘Gran Premio Brescia della 1000 Miglia’ op een ‘stratencircuit’ van 160 kilometer lengte in een driehoek tussen Brescia, Mantova en Cremona, waar de deelnemers tien ronden moesten afleggen om aan de titel van het evenement recht te doen. De wedstrijd werd gewonnen door Huschke von Hanstein en Walter Baumer in een BMW 328 met stroomlijncarrosserie. Twee exemplaren van de eerste auto die Enzo Ferrari na zijn vertrek bij Alfa Romeo ontwierp en bouwde, de Auto Avio Construzioni 815S, namen ook deel aan deze wedstijd; één ervan haalde de finish met een jonge Alberto Ascari aan het stuur. 

Weer een echte wegrace
Na de oorlog werd de Mille Miglia in 1947 voor het eerst opnieuw georganiseerd. Het idee om net als in 1940 een wedstrijd op een afgesloten stratencircuit te houden werd al snel verworpen; net als in de vooroorlogse jaren zou het weer een echte wegrace dwars door een groot deel van Italië worden! Net als in 1927 moest de organisatie bij het uitstippelen van de route rekening houden met een wegennet dat verre van ideaal was; toen vanwege een gebrek aan ontwikkeling en nu als gevolg van de oorlogshandelingen. Om in tijden van schaarste voldoende deelnemers bij elkaar te krijgen, beloofde de organisatie aan deelnemers voldoende brandstof voor de rit en een set nieuwe banden te leveren voor de spotprijs van 20.000 lire. Het resulteerde in 245 inschrijvingen, maar nadat iedereen zich op deze manier had voorzien van banden en brandstof, waren er net over de 150 die daadwerkelijk aan de start verschenen. Clemente Biondetti zette de vooroorlogse traditie van Alfa Romeo voort door met een 8C 2900 Berlinetta te winnen na een felle strijd met Tazio Nuvolari in de kleine open Cisitalia 202 SMM, maar in de jaren die volgden zou Ferrari bijna alle overwinningen opeisen. In 1954 reed Alberto Ascari in een Lancia D24 naar de overwinning, en het jaar erop boekte Stirling Moss met Denis Jenkinson een legendarische zege met een Mercedes-Benz 300 SLR. 
Met steeds grotere deelnemersvelden en steeds snellere auto’s werd het veiligheidsrisico van een straatrace als de Mille Miglia allengs een zwaard van Damocles dat boven de organisatie hing. Bij de wedstrijd van 1955 kwamen ruim vijfhonderd deelnemers uit in 23 verschillende klassen. In 1953 was de Mille Miglia onderdeel geworden van het nieuwe wereldkampioenschap voor sportwagens. De Gran Turismo’s die in de jaren dertig en veertig om de kop van het algemeen klassement streden, werden tegen het midden van de jaren vijftig pure racesportwagens van het soort dat op afgesloten circuits als Sebring, Le Mans en de Nürburgring was te vinden. De Carrera Panamericana in Mexico die in 1950 voor het eerst werd gehouden en in 1953 net als de Mille Miglia op de racekalender voor het WK sportwagens kwam, was een ware dodenrace; het doek voor die wedstrijd viel al in 1954. De tragedie van Le Mans, waar ruim 80 toeschouwers omkwamen toen de Mercedes van Pierre Levegh van de baan raakte en via een aarden wal in de tribunes belandde, had in 1955 voor een omslag gezorgd in de publieke opinie ten aanzien van autosport. De organisatie van de Mille Miglia reageerde door de tot dan toe gehanteerde vrije inschrijving te vervangen door inschrijving op uitnodiging op basis van een aantal criteria zoals aanwezige autosportervaring van zowel coureur als bijrijder. Het aantal deelnemers werd beperkt tot maximaal 400. Helaas werd de race van dat jaar gekenmerkt door zware regenval met als gevolg vele crashes, waarvan een aantal met dodelijke afloop. 
Voor 1957 werd het aantal inschrijvingen verder teruggebracht tot maximaal 350. De toeschouwers maakten zich op voor een heroïsch gevecht tussen Ferrari, dat vier fabrieksauto’s met grote V12-motoren had ingeschreven, en Maserati dat onder andere de 4,5 liter 450 S met het winnaarskoppel van 1955, Moss/Jenkinson, aan de start bracht. Maar ook deze uitgave bleef niet verschoond van dodelijke crashes en toen in het laatste gedeelte van de wedstrijd, 60 kilometer vóór Brescia, de Ferrari van een jagende markies Alfonso de Portago en Edmund Nelson een klapband kreeg en van de weg raakte, waarbij naast beide inzittenden ook negen toeschouwers, waarvan vijf kinderen, werden gedood. Drie dagen na de race verbood de Italiaanse overheid alle autoraces op openbare wegen. Pogingen om de Mille Miglia in 1958 in een andere vorm – op een gesloten stratencircuit zoals in 1940 of als een evenement voor productietoerwagens onder twee liter inhoud, liepen op niets uit. Uiteindelijk werd in 1958, 1959 en 1961 nog een regelmatigheidsrit met een aantal klassementsproeven op afgesloten wegen gehouden, maar die had afgezien van de naam niets meer van doen met de  ‘echte’ Mille Miglia.

Tweede leven 
 In 1967, veertig jaar na de eerste Mille Miglia en tien jaar na de laatste wedstijd werd rond Brescia een rally gereden met wagens uit de vooroorlogse Mille Miglia. Tien jaar later werd dit ter gelegenheid van het vijftigjarig jubileum van die eerste wedstrijd nog eens overgedaan. Sinds 1982 herleeft de Mille Miglia als klassiekerrally. De inschrijving staat open voor alle automodellen die tussen 1927 en 1957 aan de echte Mille Miglia hebben deelgenomen, waarbij voorrang wordt verleend aan auto’s die deze wedstrijd daadwerkelijk hebben verreden. Opnieuw wordt er van Brescia naar Rome en terug gereden, zoals dat gedaan werd in de jaren dertig van de vorige eeuw. De klassieke Mille Miglia is in de afgelopen vijfendertig jaar uitgegroeid tot één van de absolute topevenementen op de historische autosportkalender en ondanks stevige entreegelden is het aantal inschrijvingen elk jaar veel groter dan het aantal beschikbare startplaatsen. Grote automerken als Mercedes-Benz sponsoren het evenement en halen elk jaar de mooiste en historisch meest belangrijke auto’s uit het fabrieksmuseum om wederom de magie van de Mille Miglia te laten herleven. Auto’s die ‘Mille Miglia eligible’ zijn stijgen onmiddellijk in waarde, zeker wanneer ze als eens eerder uitgenodigd waren voor dit evenement.  
 
Winnaars Mille Miglia 1927-1957
 
Jaar - Auto - Coureurs

1927 - OM 665 S - Ferdinando Minoia / Giuseppe Morandi 
1928 - Alfa Romeo 6C 1500 SS Zagato - Giuseppe Campari / Giulio Ramponi
1929 - Alfa Romeo 6C 1750 SS Zagato - Giuseppe Campari / Giulio Ramponi
1930 - Alfa Romeo 6C 1750 GS Zagato - Tazio Nuvolari / Gianbattista Guidotti
1931 - Mercedes-Benz SSKL - Rudolf Caracciola / Wilhelm Sebastian
1932 - Alfa Romeo 8C 2300 S Touring - Baconin Borzacchini / Amadeo Bignami 
1933 - Alfa Romeo 8C 2300 S Zagato - Tazio Nuvolari / Achille Compagnoni 
1934 - Alfa Romeo 8C 2600 Monza S Brianza - Achille Varzi / Amadeo Bignami
1935 - Alfa Romeo 8C 2900 B Spider (P3- basis) - Carlo Maria Pintacuda / Alessandro Della Stufa
1936 - Alfa Romeo 8C 2900 B Spider - Antonio Brivio / Carlo Ongaro 
1937 - Alfa Romeo 8C 2900 B Spider - Carlo Maria Pintacuda / Paride Mambelli
1938 - Alfa Romeo 8C 2900 B Spider - Clemente Biondetti / Aldo Stefani
1940 - BMW 328 MM Stromlinie Coupé - Huschke von Hanstein / Walter Baumer
1947 - Alfa Romeo 8C 2900 B Berlinetta - Clemente Biondetti / Giuseppe Navone
1948 - Ferrari 166 S Coupé Allemano - Clemente Biondetti / Giuseppe Navone
1949 - Ferrari 166 MMBarchetta - Clemente Biondetti / Ettore Salani
1950 - Ferrari 195 S Berlinetta - Gianni Marzotto / Marco Crosara
1951 - Ferrari 340 America Berlinetta - Luigi Villoresi / Pasquale Cassani
1952 - Ferrari 250 S Berlinetta - Giovanni Bracco / Alfonso Rolfo
1953 - Ferrari 166 MM Spider - Gianni Marzotto / Marco Crosara
1954 - Lancia D24 Spider - Alberto Ascari
1955 - Mercedes-Benz 300 SLR Spider - Stirling Moss / Denis Jenkinson
1956 - Ferrari 290 MM Spider - Eugenio Castellotti
1957 - Ferrari 315 S Spider - Piero Taruffi